Vlissingen en haar stadsparken

‘Wie o wie’ weet dat Vlissingen in de 18e eeuw, mogelijk zelfs eind 17e eeuw, een stadspark had? Deze quizvraag lijkt bijna te absurd om gesteld te worden. En toch. Veel bewoners van Vlissingen hebben een vertekend beeld van hun oude stad waardoor bij deze vraag de schouders waarschijnlijk laconiek opgehaald zullen worden. De vestingstad aan de Honte was met haar strategische locatie gegroeid vooral dankzij de tussenkomst van kapers en vrijbuiters met hun zwaar gevochten ‘commercie’ in exotische waren inclusief, via een slimme driehoek vaart op de Atlantische Oceaan, slavernij. Het gewone volk had toen noch de tijd noch de behoefte aan ontspanning in de natuur. Uitzondering hierop was de adel, die samen met notabelen, bankiers en welgestelde burgers zoals Cats riante zomerverblijven hadden buiten de onfrisse stedelijke omgeving. Hof Swaenenburg, middenin ons park en slechts een paar mijlen verwijderd van de stadsvesten, was zo’n voorbeeld. Het eiland Walcheren heette ook niet voor niets de “Tuin van Zeeland”. Maar was er wel iets op korte loopafstand binnen de vesten? Toevallig stuitten wij recentelijk op een artikel van stadshistoricus Peter van Druenen wat voor ons aanleiding was om in dit onderwerp te duiken. Het artikel had als titel ‘Een Frans parkje in Vlissingen’. Van Druenen schrijft:

‘De stad was daarom voortdurend op zoek naar andere bronnen van inkomsten en had haar oog laten vallen op de bomen van het parkje aan het eind van de Dokhaven. Dat was in 1783 aangelegd als openbare wandelplaats. Er waren kopers gevonden voor het kaphout en toen deze aan het werk wilden om de bomen te rooien, werden zij tegengehouden door de Fransen die waren gelegerd in het aangrenzende voormalige pand van de West-Indische Compagnie. Ze claimden ook het bezit van het parkje, omdat het er volgens hen bij hoorde. De paar bomen die al waren gerooid, werden in beslag genomen en naar het Franse magazijn gebracht. Na maanden getouwtrek en geruzie door zelfs de hoogste instanties in Den Haag en Parijs, wonnen de Fransen en waren ze de officiële eigenaar van de grond waarop ze een scheepswerf wilden bouwen.’

Bedoelde van Druenen hier 1683 i.p.v. 1783 en is er dus sprake van een typefout? Voor de duidelijkheid: de situatie met het park aan het einde van de Dokhaven is reeds ingetekend op de gegraveerde kaart van Hattinga en Tirion in 1753 (zie onderaan link kaartenmakers). Als we zijn plattegrond van Vlissingen vergelijken met de ingekleurde kaart van Bleau uit 1654, een eeuw eerder, dan zien wij dat de dok in de tussentijd aanzienlijk ingekort (gedempt, voorbode van o.a. Bellamy Park?) is geweest. Het rechthoekig stukje grond dat vrijkwam kreeg van de stadsbestuurders niet de toen logische bestemming voor meer pakhuizen of woonhuizen maar voor gewoon een park, een klein stadspark gelegen tussen de Dokhaven en het West-Indische Compagnie pakhuis/equipagehuis.

Vlissingen door Joan Blaeu, 1654. De lange Dokhaven reikt tot aan de voet van de vesten (Bron: Inter-Antiquariaat.nl)

Vlissingen door Hattinga en Tirion, 1753. De Dokhaven is flink ingekort met een rechthoek helemaal gevuld met bomen (Bron: Jean-Marie van Isacker)

Tot die tijd had Vlissingen geen park en kon nu, mogelijk als eerste in de Noordelijke Nederlanden, gaan ‘concurreren’ met andere parken (Alkmaarder Hout, Valkhof, Malieveld, stadspark Maastricht). Een mooi voorbeeld is De Worp in Deventer uit het begin van de 17e eeuw. In 1699, na het ontstaan van ons park, werd daar voor het eerst melding gemaakt van een plantage (park), dat toen volgens een kaart de vorm had van een sterrenbos. Het stadspark De Plantage in Schiedam (hier en hier), opgericht in 1767, zou pas bijna drie kwart eeuw later ontstaan. Frappant is dat van het park De Worp in Deventer niets oorspronkelijk overblijft omdat daar, ook door toedoen van het oorlogsgeweld gedurende de Franse tijd, alles gekapt werd en het huidig park opnieuw ingericht werd na 1815.

Ons park was geometrisch aangelegd in de Franse barokstijl (Daniel Marot) geïnspireerd uit de vorstelijke tuinen van het Versailles van Lodewijk XIV (zie ook de tuinen van paleis Het Loo). Het was gelegen binnen de contouren van de stadsvesten en tussen de drukke bebouwing wat vrij uniek was. Dat kan men niet zeggen van Alkmaarderhout, De Worp en De Plantage!

Buiten de plattegrond kaarten wordt er ook gezocht naar bruikbaar beeldmateriaal zoals tekeningen, etsen, aquarellen, schilderijen, etc.) maar dit blijkt tot nu toe zeer lastig te zijn. Voorlopig moeten wij het stellen met mogelijke reisverhalen en met de eloquente woorden van Jasper Jaspersen Brasser die het parkje in 1754 omschrijft als ‘het bosje’ gedurende een lange stadswandeling.

Bovenste gedeelte van de handgetekende kaart van Hattinga uit die tijd. De Rammekenspoort waaruit Brasser zijn stadswandeling begint is met de hoofdletter C aangeduid. Goed te zien is de dubbele rij ‘platgeschooren’ iepen aan de noordelijke kant van de ‘Dokke’ tegenover de Peperstraat. (Bron: Zeeuws Archief, HTA Vlissingen, nr 3963)

Uit de inkt van zijn pen kunnen we in zijn perkament boek lezen bij pagina 144 (pagina 83 van de 2018 heruitgave):

‘ Zoo beginnen mee met ’s Lands docke als zynde een van de fraaiste stucken van de stadt. De Rammekenspoort inkoomende treedt men aenstondt op het dock, zynde een seer wydt water, welk de generaliteydt in den jaar 1688 heeft doen graaven onder het bestuur en opsight van den inginieur d’heer Jan de Meester, namaals borgemeester (1693 en 1703), raadt en gecommitteerde raadt der Admiraliteydt deeser stadt tot Middelburgh. Deese dock is zoo groodt dat men der een vloodt van vyfttigh scheepen van oorloogh der kan in opleggen. Dese dock is aen weederkanten met een platgeschooren laan van holmeboomen (iepen)
beplandt, dat een van de vermaakelykste wandelwegh maakt dat men in de Neederlanden vindt. Aen het eynde van de docke vindt men een vermaakelyk bostje beplandt met opgaende holmeboomen. Aen de voorsyde naer het dockpladt (het rechthoekig einde van het dok) haegswijse geschooren. Zynde de paan (lap of stuk grond) in een sterre aengelegt,
die alle gesandt zyn, en op sommige plaasen met rustbanken beset zyn. Alhier koomen des soomers veel aensiendelyke luiden onder den lommer een lugtie scheppen, dat een vermakelyk gesigt geeft over het water van de dock. Dit bostje is voor het aenleggen geweest der docke, een ’s Lans werft tot den aenbouw der scheepen die doen gebragt is op de nieuwe uytlegginge als pagina 44 beschreeven is.’

Brasser bevestigt ons dat de admiraliteit kort voor 1688 de beslissing genomen had om haar werf dat tegenover het WIC-pakhuis lag zuidoostelijker te verplaatsen naar een locatie dichterbij de ingang van het dok en het estauarium. Hierdoor ontstond ruimte voor de realisatie van het park. De werkzaamheden vonden plaats tijdens het laatste decennium van de 17e eeuw. Het park was ten tijde van zijn beschrijving in 1753 dus al circa zestig jaar oud. Het visueel effect van een groot aantal Iepen op een stukje grond moest na deze groeitijd best volumineus geweest zijn.

De brouwer Brasser was iemand die gevoelig was voor schoonheid. Zijn admiratie over het park steekt hij niet onder banken of stoelen met het gebruik van woorden zoals ‘fraaisten stucken’ en later tot drie keer toe het woord ‘vermakelyk’ (wat in hedendaags Nederlands best omschreven kan worden als aangenaam, prettig en verpozend).

Jan de Meester, de ingenieur die verantwoordelijk was voor de havenuitbreiding en die ook toezicht hield tijdens de realisatie was kort daarna, in 1693, beloond met de burgemeesterspost wat alleen kan duiden op enige waardering van het economisch belang die de haven in die tijd kreeg.

Het summum van onderhoud bij tuinen in de 18e eeuw was ongetwijfeld het effect gecreëerd door het ‘platscheren’ van bomen. Op een tekening van Jan Arends is deze tot een kunst verheven obsessie magistraal afgebeeld. Men ziet hoe aan het einde van een strak geschoren haag twee bomen tot een denkbeeldige ‘poort’ met boog verwerkt zijn en waarbij de boomstammen onzichtbaar zijn gemaakt door een stellage waartussen klimop of heesters omhoog bedwongen kon worden.

Gezicht op een deel van de tuin aan de achterzijde van de buitenplaats Sint Jan ten Heere te Domburg, met verschillende personen onder wie een tuinman. Tekening door Jan Arends, circa 1777. (Bron: Collectie KZGW, ZI II, 109b)

De ‘plantage’ in Vlissingen heeft maar kort mogen bestaan (een eeuw) en moest zeer geliefd geweest zijn onder de bevolking zoals vandaag bij het VanWoelderenpark. We hebben nog twee plattegronden met ‘sterrenbos’ en ‘zandige’ paden als bewijsstukken:

Plan van de Haven en Dok te Vlissingen’, circa 1795. Linksboven het rechthoekig parkje met kruisende zandpaden (groen ingekleurd). Het lag op het einde van de dokhaven (lichtblauw ingekleurd) waarvan het plat tegenover het WIC-pakhuis 207 ‘Vlissinsche roeden’ breed was. Linksonder achter hoofdletters J (‘het bosje’) en K (‘Westindisch huis’) voorzien van een accolade en de woorden ‘aan de fransche Marine’.

(Bron: Zeeuws Archief, HTA Vlissingen, nr 457)

Een onderste boven ‘Platte grond’ van de haven (‘zee Werken’) gedateerd 1799, kort na het begin van de Franse tijd, waarbij het park (‘Bosje’) met haar kruisende paden op het einde van de havendok en de ‘Peeper Dyck’ midden onderaan voor twee derden nog zichtbaar is.

(Bron: Zeeuws Archief, HTA Vlissingen, nr 2192)

De Marinehaven met links de Houtkade en rechts de Dokkade. Tekening gemaakt door de schilder, architect en reiziger (bekend als deel uitmakend van de ‘ Levantine kring’)  Anton Ignace Melling in 1812 gedurende zijn reis naar de Lage Landen. Op deze tekening is het parkje nog net te zien aan het einde van de Dokkade met kleine bomen.  (Bron: Zeeuws Archief, Fotocollectie Vlissingen, nr 11602).

Het park is niet meer te zien op deze plattegrond van Vlissingen op het einde van het Frans bewind net voor de invasie van de Engelsen (…’avant la prise de cette isle par les anglais en aoust de l’an 1809…’).

Handgetekende kaart met Franse tekst. Rechts onderaan in zeer kleine letters gesigneerd Knaap, landmeester Eerste Klasse, circa 1815.  (Bron: Zeeuws Archief, HTA Vlissingen, nr 3955)

Door tussenkomst van de Engelse oorlog en de korte Franse bezetting werd de parklocatie helaas weer omgeschakeld tot een scheepswerf. Het belang van de industriële scheepsbouw voor de (koninklijke) marine en de lokale economische voorspoed die hiermee gepaard zou gaan woog zwaarder dan het herinrichten van het park naar de situatie voor 1800. Kort daarna verschenen op de locatie voor die tijd twee enorme boogvormige houten skeletten met ramen helemaal beschermd tegen de weerperikelen (zie onder de aquarel).

Afgebeeld in het midden van deze anonieme aquarel uit circa 1822 is het uiteinde van de Dokhaven met de nieuwe marinewerf op de parklocatie. De cirkel was hierdoor rond want op deze plek stond de admiraliteitswerf een eeuw eerder.  (Bron: Zeeuws Archief, HTA Vlissingen, nr 4106)

Het Fregat Den Rhijn op de Werf te Vlissingen doorgezaagd om tot Een StoomVaartuig te worden gemaakt

Het Fregat Den Rhijn op de Werf te Vlissingen doorgezaagd om tot Een StoomVaartuig te worden gemaakt

Vier jaar later nog een weergave van de marinewerf op de voormalige parklocatie. Tekening verhoogd met gewassen inkt. Gesigneerd en gedateerd links onderaan Theodorus Speeleveldt 2 april 1826. (Bron: Zeeuws Archief, Fotocollectie Vlissingen, nr 11844)

Uiteindelijk heeft de bevolking van Vlissingen meer dan een eeuw moeten wachten (1925) tot Carel Albert van Woelderen besloot om opnieuw een veel groter stadspark aan te leggen op het Napoleontisch Fort Montebello. Was het een vorm van wraak op die Fransozen?